Plaatsing

1. Voorafgaand aan de plaatsing

Vochtdoorlatende ondergrond
Draag er zorg voor dat de betegeling zich ter hoogte van de woninggevel onder de waterkerende laag bevindt. Stilstaand water is de belangrijkste vijand van een betegeld oppervlak. Daarom moet van bij het begin gedacht worden aan een degelijke drainage. Een vochtdoorlatende ondergrond is van kapitaal belang. Bovendien is een helling een noodzaak om een goede afwatering te verkrijgen. 1 à 2 cm per meter kan je als regel hanteren. Zorg er natuurlijk ook voor dat deze helling van de woning weg gebeurt.

Uitzettingsvoeg
Let erop dat u de tegels niet tot vlak tegen de gevel plaatst en dat u een zetvoeg voorziet. De natuursteen zal immers uitzetten in de zon en krimpen bij afkoeling of vorst. Indien de zetvoeg wordt vergeten, kan het uitzetten en krimpen niet normaal plaatsvinden en zal de tegel uiteindelijk barsten. Voorzie dus randvoegen tussen terras en gevel. Dit gebeurt best met een vochtdichte, elastische bewegingsvoeg (vorstvrije kit of profiel). Volg ook steeds de volgende regels ivm uitzettingsvoegen bij grote terrassen: uitzettingsvoegen dwars door zandbed en mortel zijn verplicht bij

  • Donkere tinten blootgesteld aan de zon: terras groter dan 35 m² of de lengte meer dan 5 m
  • Lichte tinten blootgesteld aan de zon: terras groter dan 35 m² of de lengte meer dan 6 m
  • Donkere tinten niet blootgesteld aan de zon: terras groter dan 35 m² of de lengte meer dan 8m
  • Lichte tinten niet blootgesteld aan de zon: terras groter dan 35 m² of de lengte meer dan 10 m.

Opgelet: bij plaatsing van BELTRALINEA GARDEN strips zijn deze normen strenger. Raadpleeg daarom de specifieke voorschriften op www.beltralinea.com.

2. Voorbereiding

Plaats de tegels bij voorkeur niet met een verspringende voeg of op halfsteensverband. (Sommige materialen zijn echter voldoende dik en sterk om dit toch toe te laten - raadpleeg hiervoor de technische fiche). Schuif de tegels niet over elkaar om krassen te voorkomen. Bij buitentoepassingen van natuursteen is het belangrijk voor ogen te houden dat, afgezien van de mechanische belastingen, de voornaamste krachtwerkingen hier in de hand gewerkt worden door het klimaat. Denk bijvoorbeeld aan het afwisselend droog en nat zijn of het vriezen en dooien. Daarnaast hebben ook diverse menselijke activiteiten zoals voetgangersverkeer, stoten, autoverkeer, … een invloed op de buitenvloer.

Bij leisteen en kwartsiet moet men de rug van de tegels instrijken met een barbutine, in feite een mengsel van BELTRAMIX, wit zand en wit cement. Dit moet minstens 24u voor de plaatsing gebeuren.

3. Plaatsing op een drainerende betonlaag

Voor een terras moet de fundering gelegd worden tot onder de vorstlijn, ongeveer 40 cm onder het pas van de vloer.

  • drainerende steenslaglaag, goed ingezakt en aangedamd, van ongeveer 20 tot 30 cm
  • korrelbeton van ongeveer 15 cm. samenstelling: 150 kg cement per m² granulaten 8/22 of 10/20.
  • gestabiliseerd zandbed van ongeveer 5 cm. samenstelling: gewassen rivierzand 0/5 of 0/7 mm gemengd met wit cement, een weinig nat gemaakt en ineengeklonken. verhouding: 9 delen zand voor 1 deel cement
  • legmortel van maximum 3 cm. De tegels worden vol in de mortel gelegd, dus niet in ‘dotten’. samenstelling: wit zand 0/2 mm gemengd met wit cement. verhouding: 4 delen zand voor 1 deel cement
  • bevloering

4. Plaatsing op een betonnen onderlaag

Vermijd een betonnen draagvloer, want op beton (weinig poreus) blijft het water gemakkelijker staan en kan het terras later ook opvriezen. Bovendien heeft beton ook een grotere krimp, wat later tot barsten in de tegels door zetting kan leiden. Heeft u toch een betonnen draagstructuur, doe dan het volgende: Op het beton breng je een drainagemat (bvb een Troba-plus van Schlüter). Daarna zijn er twee mogelijkheden:

A. Je legt een gewapende chape met een minimumdikte van 5 cm. Laat deze dekvloer voldoende uitdrogen (minimum 28 dagen). Daarna lijm je de gekalibreerde tegels (BELTRALINE) met een aangepaste lijm (BELTRAFLEX) op de dekvloer. Het grote voordeel van deze methode is dat het terras geen contact heeft met het beton en dus afzonderlijk kan reageren op de wisselende weersomstandigheden.

B. op de drainagemat werkt men verder op de traditionele methode: gestabiliseerd zandbed, mortel en bevloering (zie hierboven in punt 1.).

5. Plaatsing op tegeldragers

Wordt vaak toegepast voor dakterrassen en balkons. Deze methode is ook geschikt voor het gelijkvloerse terras als dit niet bereden kan worden door auto’s. Let wel: voor deze plaatsingsmethode dient de natuursteen wel een minimumdikte te hebben: zeker niet dunner dan 3 cm afhankelijk van het soort materiaal en het formaat van de tegel. De ondergrond moet goed vlak zijn. Eventuele oneffenheden corrigeer je met passtukjes of roofing. De tegeldrager bepaalt de breedte van de open voeg.

6. Plaatsing op mortelzakjes

Wordt toegepast op dezelfde plaatsen als de plaatsing op tegeldragers. De tegels worden geplaatst op plastiek zakjes gevuld met mortel. Je bepaalt zelf de voegbreedte (min 4 à 5 mm). Door gebruik te maken van afstandhoudertjes kan je de voegbreedte perfect en eenvoudig onder controle houden. Zolang de mortel in de zakjes niet verhard is, kan je de tegels waterpas leggen.

7. Voegen

Plaats de tegels nooit tegen elkaar. Wat betreft de voegbreedte, kan er vooral bij gladde oppervlakken, zoals blauwe hardsteen geschuurd, vrij dun worden gewerkt (4 à 5 mm). De meeste natuurstenen zijn echter niet zo maatvast. Voegen van 8 tot 10 mm vormen dan ook geen uitzondering. Bovendien wordt voor terrassen zo’n voeg aangeraden om een vlotte uitzetting en inkrimping mogelijk te maken. Tenslotte is in de meeste gevallen het inwassen van de betegeling onmogelijk, omdat door het ruwe oppervlak er teveel cementresten zouden achterblijven. Vandaar dat men dan een voegijzer (dunste: 5 mm) moet gebruiken.

BELTRAMI nv - Venetiëlaan 22 - B-8530 Harelbeke - Tel. 056 23 70 00 - Fax 056 23 70 02

info@beltrami.be - www.beltrami.be - RPR Kortrijk - BTW-BE-0428.833.535